WPS, WPQR & kwalificaties·25 augustus 2026·4 min lezen

Lasserskwalificatie volgens ISO 9606-1

Lasserskwalificatie volgens ISO 9606-1

Een gekwalificeerde lasmethode is niets waard zonder gekwalificeerde lassers. ISO 9606-1 regelt het kwalificatie-examen voor het handmatig en deels gemechaniseerd smeltlassen van staal: welke proef een lasser moet afleggen, welke variabelen het geldigheidsgebied bepalen en hoe het proefstuk wordt beoordeeld. Het lasserscertificaat is voor opdrachtgevers en certificerende instanties het bewijs dat de persoon achter het lasapparaat zijn vak beheerst.

In dit artikel leggen wij de opzet van ISO 9606-1 uit: de kernvariabelen, de geldigheidsgebieden, de eisen aan proefstukken en de gang van zaken tijdens de examinering. Zo weet u waar u op moet letten bij het plannen van kwalificaties en voorkomt u dat een lasser een certificaat haalt dat het werk net niet dekt. De verlenging van certificaten behandelen wij apart in ons artikel over de geldigheid en verlenging van lasserskwalificaties.

Waar gaat ISO 9606-1 over en waar niet?

ISO 9606-1 toetst de handvaardigheid van de lasser: kan deze persoon met het opgegeven proces in de opgegeven positie een deugdelijke las maken? De norm geldt voor het smeltlassen van staal met handmatige en deels gemechaniseerde processen, zoals 111 (beklede elektrode), 135 en 136 (MAG) en 141 (TIG).

De norm gaat nadrukkelijk niet over de lasmethode zelf; die wordt gekwalificeerd volgens EN ISO 15614-1 en vastgelegd in een WPQR. Beide sporen staan naast elkaar: een project vraagt gekwalificeerde methoden én gekwalificeerde lassers. Volautomatisch en volledig gemechaniseerd lassen valt ook buiten ISO 9606-1; daarvoor geldt ISO 14732, zoals beschreven in ons artikel over operatorkwalificatie volgens ISO 14732. Voor andere metalen dan staal bestaan aparte delen van de 9606-reeks, zoals deel 2 voor aluminium.

De kernvariabelen: wat bepaalt het geldigheidsgebied?

Het certificaat geldt niet voor al het laswerk, maar voor een gebied dat wordt bepaald door kernvariabelen. De belangrijkste zijn:

  • Lasproces: elk proces wordt in beginsel apart gekwalificeerd.
  • Productvorm: plaat of buis.
  • Lasnaadtype: stompe las of hoeklas; het ene dekt het andere maar beperkt.
  • Toevoegmateriaalgroep: ISO 9606-1 deelt in op het toevoegmateriaal (groepen FM1 tot en met FM6), niet op het basismateriaal.
  • Dikte en buisdiameter van het proefstuk.
  • Laspositie: een proef in PA dekt geen PF of PE; moeilijkere posities dekken eenvoudigere.
  • Lasdetails: eenzijdig of tweezijdig lassen, met of zonder backing.

Per variabele geeft de norm in tabellen aan wat het afgelegde examen dekt. Slim kiezen loont: een proef in een lastige positie op buis dekt een groot deel van het eenvoudigere werk mee.

Het proefstuk: afmetingen en uitvoering

De norm schrijft per productvorm en naadtype de proefstukken voor, inclusief minimale afmetingen. Bij plaat wordt een stompe naad of hoeklas over een voorgeschreven lengte gelast; bij buis een rondnaad op een buis met een bepaalde diameter en wanddikte. De keuze van dikte en diameter bepaalt direct het gekwalificeerde bereik, dus stem die af op het werk dat de lasser straks moet doen.

Het proefstuk wordt gelast volgens een WPS of pWPS, met het beoogde toevoegmateriaal en in de beoogde positie. Onderbrekingen, het stoppen en herstarten in de grondlaag en bij buis een vast opgestelde positie zonder draaien horen bij de proef zoals de norm die bedoelt. De lasser mag kleine onvolkomenheden bijwerken zoals dat in productie ook is toegestaan, maar het proefstuk moet in essentie in één beoordeelbare gang tot stand komen.

Beoordeling en aanvaardingscriteria

Na het lassen wordt het proefstuk onderzocht. Standaard is altijd 100 procent visueel onderzoek volgens ISO 17637. Daarnaast eist de norm aanvullend onderzoek, afhankelijk van proces en proefstuk: radiografisch onderzoek, buigproeven of breekproeven, en bij hoeklassen doorgaans een breekproef of macro-onderzoek. Radiografie kent beperkingen bij bepaalde processen; dan zijn aanvullende buig- of breekproeven vereist.

De aanvaardingscriteria sluiten aan op ISO 5817. In hoofdlijnen moeten onvolkomenheden binnen kwaliteitsniveau B blijven, met voor enkele typen onvolkomenheden niveau C als grens. Zakt het proefstuk op één onderdeel, dan mag de lasser doorgaans één nieuw proefstuk lassen zonder aanvullende training; daarna is eerst bijscholing aan de orde. Bewaar de onderzoeksrapporten bij het certificaat, want auditors vragen er geregeld naar.

De examinering: wie neemt af en wat wordt vastgelegd?

De proef wordt afgenomen door een examinator of examinerende instantie. Bij werk onder de PED 2014/68/EU, categorie II en hoger, moet dat een aangemelde instantie of een erkende onafhankelijke instelling zijn; ook veel klantspecificaties eisen een onafhankelijke derde partij. De examinator controleert de identiteit van de lasser, waarmerkt het proefstuk, ziet toe op het lassen volgens de WPS of pWPS en beoordeelt de onderzoeksresultaten.

Op het certificaat worden alle kernvariabelen met hun geldigheidsgebied vastgelegd, plus de datum van het lassen van het proefstuk. Vanaf die datum loopt de geldigheid. ISO 9606-1 kent ook een theoretische kennistoets als optie; die is niet verplicht, maar wordt door sommige opdrachtgevers wel verlangd en op het certificaat vermeld.

Kwalificaties slim plannen in de praktijk

Lasserskwalificaties zijn een terugkerende kostenpost, dus plan ze doordacht:

  • Breng eerst het werkpakket in kaart: processen, materiaalgroepen, diktes, diameters en posities. Kwalificeer daarop, niet op wat toevallig voorhanden is.
  • Kies proefstukken die met één proef een zo groot mogelijk deel van het werk dekken, bijvoorbeeld buis in positie H-L045 waar dat zinvol is.
  • Combineer waar mogelijk de lassersproef met een lasmethodebeproeving: wie het proefstuk voor de WPQR last, kan daarmee onder voorwaarden ook zijn lasserskwalificatie behalen.
  • Leg de bewaking van geldigheidsdata en bevestigingen bij één persoon, meestal de lascoördinator.

DEHAAS ondersteunt fabrikanten hierbij met een onafhankelijke blik: van kwalificatiematrix en planning tot begeleiding op de examendag, in heel Nederland.

Veelgestelde vragen

Het certificaat is twee jaar geldig vanaf de datum waarop het proefstuk is gelast, mits de werkgever of lascoördinator elke zes maanden bevestigt dat de lasser binnen het geldigheidsgebied heeft gewerkt. Daarna zijn er drie verlengingsroutes volgens paragraaf 9.3 van de norm.

In veel gevallen wel: buislassen wordt als moeilijker beschouwd en dekt afhankelijk van diameter en positie ook plaatwerk. Andersom dekt een plaatkwalificatie buis slechts beperkt, vooral bij grotere diameters. Raadpleeg de dekkingstabellen van de norm.

Ja, het lasproces is een kernvariabele. Wel kunnen twee processen in één proefstuk worden gecombineerd, bijvoorbeeld TIG voor de grondlaag en beklede elektrode voor de vullagen; het certificaat vermeldt dan de dekking per proces.

Nee, de vakkennistoets is in de norm een optie en wordt op het certificaat aangetekend als hij is afgelegd. Sommige opdrachtgevers en landen eisen hem wel, dus controleer de projectspecificatie.

Heeft u een lastechnische vraag?

Stel uw eerste vraag aan de DEHAAS Welding & Quality Assistant, laat uw situatie beoordelen door een specialist, of bel direct.

WhatsApp