Normen & regelgeving·2 juli 2026·4 min lezen

Materiaalcertificaat 3.1 en 3.2 volgens EN 10204

Materiaalcertificaat 3.1 en 3.2 volgens EN 10204

Bij elke levering staal, roestvast staal of lastoevoegmateriaal hoort een document dat aantoont wat er is geleverd. EN 10204 legt vast welke soorten inspectiedocumenten er zijn: 2.1, 2.2, 3.1 en 3.2. Het materiaalcertificaat 3.1 is in de staalbouw en de apparatenbouw het meest gevraagde document. Het 3.2-certificaat komt vooral voor bij drukapparatuur, offshore en projecten met een onafhankelijke keuring.

Toch gaat het in de praktijk regelmatig mis: een certificaat dat niet bij de levering hoort, een 2.2 waar een 3.1 is geëist, of een chargenummer dat na het zagen verdwijnt. Dit artikel legt uit wat de typen betekenen, wie ze ondertekent, wanneer u welk type eist en hoe u de traceerbaarheid bewaakt.

De vier typen inspectiedocumenten in EN 10204

EN 10204 maakt onderscheid tussen niet-specifiek en specifiek onderzoek. Bij niet-specifiek onderzoek komen de resultaten uit de reguliere productie en niet noodzakelijk uit de geleverde partij. Bij specifiek onderzoek is beproefd op de geleverde producten zelf, of op de beproevingseenheid waar ze uit komen.

  • Type 2.1, verklaring van overeenstemming: de fabrikant verklaart dat de producten voldoen aan de bestelling, zonder testresultaten.
  • Type 2.2, testrapport: dezelfde verklaring, aangevuld met resultaten van niet-specifiek onderzoek.
  • Type 3.1, inspectiecertificaat: de fabrikant verklaart overeenstemming met de bestelling en vermeldt de resultaten van specifiek onderzoek.
  • Type 3.2, inspectiecertificaat: als 3.1, maar mede ondertekend door een onafhankelijke partij.

Alleen 3.1 en 3.2 zeggen dus iets over het materiaal dat daadwerkelijk bij u op de vloer ligt.

Wie tekent een 3.1- en een 3.2-certificaat

Het verschil tussen 3.1 en 3.2 zit niet in de metingen, maar in wie de uitslag bevestigt. Een 3.1-certificaat wordt gevalideerd door de gemachtigde inspectievertegenwoordiger van de fabrikant, die onafhankelijk moet zijn van de productieafdeling. In de praktijk is dat de kwaliteitsafdeling van de walserij of producent.

Een 3.2-certificaat wordt opgesteld door die vertegenwoordiger van de fabrikant samen met een externe partij: de gemachtigde inspectievertegenwoordiger van de koper, of een inspecteur die door de regelgeving is aangewezen. Denk aan een klassebureau, een aangemelde instantie of een door de opdrachtgever ingeschakeld inspectiebureau. Die partij is betrokken bij de beproeving en ondertekent mee. Een 3.2 moet daarom bij de bestelling worden aangevraagd. Achteraf is het niet meer te maken.

Wanneer eist u welk materiaalcertificaat

Welk type nodig is, volgt uit de toepasselijke norm of regelgeving en uit de specificatie van de opdrachtgever:

  • Staalconstructies onder EN 1090-2: de norm geeft per productsoort het minimaal vereiste inspectiedocument. Voor constructiestaal is een 3.1-certificaat het gebruikelijke uitgangspunt; afhankelijk van staalsoort en klasse staat de norm in bepaalde gevallen een 2.2 toe. Controleer altijd de actuele tabel en wat de specificatie aanvullend eist, zeker bij EXC3 en EXC4.
  • Drukapparatuur onder PED 2014/68/EU: voor materialen van hoofddrukdragende delen in de categorieën II, III en IV is een certificaat met specifieke productcontrole vereist, in de praktijk een 3.1. Heeft de materiaalproducent een passend kwaliteitssysteem, gecertificeerd door een bevoegde instantie in de EU met een specifieke beoordeling voor materialen, dan geldt zijn certificaat als bewijs van overeenstemming.
  • Offshore, scheepsbouw en kritische installaties: hier eist de specificatie vaak 3.2, met een klassebureau of aangewezen inspectiebureau als tweede ondertekenaar.

Eis niet standaard een 3.2 als een 3.1 volstaat. Het kost geld en levertijd, terwijl het staal zelf niet verandert.

Wat u op een certificaat controleert

Een certificaat ontvangen is iets anders dan een certificaat controleren. Bij de ingangscontrole kijkt u ten minste naar:

  • Type document: staat er echt 3.1 of 3.2 op, en is het door de juiste partij ondertekend?
  • Norm en staalsoort: komen die overeen met bestelling en tekening, inclusief kwaliteitsklasse zoals J2 of K2?
  • Afmetingen en chargenummer: komen die overeen met de markering op het materiaal zelf?
  • Chemische samenstelling en mechanische waarden: liggen ze binnen de productnorm, en zijn kerfslagproeven bij de juiste temperatuur uitgevoerd?
  • Aanvullende eisen uit de specificatie, zoals ultrasoon onderzoek van plaat of eigenschappen in de dikterichting.

Klopt er iets niet, leg het materiaal dan vast als afwijkend en gebruik het niet voordat de afwijking is opgelost.

Traceerbaarheid van materiaal door de werkplaats

Een certificaat heeft alleen waarde als u kunt aantonen dat het bij het ingebouwde onderdeel hoort. EN 1090-2 vraagt dat materiaal traceerbaar is van ontvangst tot oplevering, met strengere eisen aan identificatie en markering bij EXC3 en EXC4. Traceerbaarheid op partijniveau is vaak toegestaan, tenzij de specificatie traceerbaarheid per onderdeel eist.

Praktisch betekent dit:

  • Het chargenummer of een eigen code wordt op elk restdeel overgezet voordat het materiaal wordt gezaagd of gesneden.
  • In de werkvoorbereiding koppelt u onderdeelnummers aan certificaten, bijvoorbeeld in een materiaallijst of lassenregister.
  • Bij handelaren eist u dat het certificaat van de producent wordt meegeleverd.
  • Het resultaat komt in het kwaliteitsdossier, zodat per onderdeel zichtbaar is welk materiaal is gebruikt.

Voor stalen draagconstructies is dit ook onderdeel van de onderbouwing van de CE-markering. Wilt u de ingangscontrole of het dossier onafhankelijk laten toetsen, dan past dat binnen lasinspectie en QA/QC.

Veelgestelde vragen

Een 2.2 bevat resultaten van niet-specifiek onderzoek, dus uit de reguliere productie en niet per se van uw partij. Een 3.1 bevat resultaten van onderzoek op de geleverde producten of hun beproevingseenheid, gevalideerd door een van de productie onafhankelijke inspecteur van de fabrikant.

Nee. Bij een 3.2 is de externe partij betrokken bij de beproeving zelf, en dat moet bij de bestelling zijn afgesproken. Achteraf kan hooguit nieuwe beproeving onder toezicht plaatsvinden, met een nieuw certificaat als resultaat.

Een handelaar of bewerker moet de inspectiedocumenten van de producent ongewijzigd doorgeven, met een duidelijke koppeling aan het geleverde materiaal. Hij mag een eigen document toevoegen, bijvoorbeeld bij versneden plaat, maar mag de gegevens van de producent niet aanpassen.

Voor constructiestaal is 3.1 onder EN 1090-2 het gebruikelijke uitgangspunt, al staat de norm in bepaalde gevallen een 2.2 toe. Omdat walserijen voor constructiestaal vrijwel altijd 3.1 leveren, is het verstandig dit standaard bij de bestelling te vragen.

Heeft u een lastechnische vraag?

Stel uw eerste vraag aan de DEHAAS Welding & Quality Assistant, laat uw situatie beoordelen door een specialist, of bel direct.

WhatsApp