
Alles op niveau B laten uitvoeren is de veiligste keuze en tegelijk de duurste. Alles op D zetten is goedkoop tot er iets bezwijkt. De praktijk vraagt om een onderbouwde keuze per verbinding, en die keuze is vaker een ontwerpbeslissing dan een lasbeslissing.
Dit artikel beschrijft hoe u die keuze maakt, welke gevolgen zij heeft voor onderzoek en kosten, en waarom een niveau dat nergens is vastgelegd in de praktijk niet bestaat.
Wat de niveaus betekenen
ISO 5817 kent drie kwaliteitsniveaus: B is streng, C is midden en D is soepel. Zij verschillen in de toegestane grootte van onvolkomenheden, niet in de toegestane soorten. Scheuren zijn op elk niveau onaanvaardbaar; het verschil zit in hoeveel porositeit, randinkarteling of vormafwijking is toegestaan.
Het is een veelvoorkomend misverstand dat niveau B betekent dat er geen fouten mogen zijn. Ook op niveau B zijn poriën en een lichte randinkarteling binnen grenzen toegestaan. Zie ISO 5817 uitgelegd.
De afweging in drie vragen
Vraag een: is de verbinding wisselend belast? Zo ja, dan is de vorm van de lasteen bepalend en ligt niveau B of C voor de hand, met aandacht voor randinkarteling. Vraag twee: wat gebeurt er als deze las bezwijkt? Bij persoonlijk letsel of milieuschade is er geen ruimte voor een soepel niveau.
Vraag drie: is de verbinding na montage nog te inspecteren en te repareren? Een las die straks onbereikbaar in een constructie zit verdient een strenger niveau dan een las die altijd te benaderen blijft. Die drie vragen leveren doorgaans een gemengd beeld op binnen één product, en dat is precies de bedoeling.
Wat het niveau kost
Het gekozen niveau werkt door in de omvang van het niet-destructief onderzoek, in de acceptatiegrenzen en in het aantal reparaties. Een stap van C naar B betekent niet alleen strengere grenzen maar ook meer onderzoek en meer afkeur, en elke reparatie brengt extra warmte in de constructie.
Daar staat tegenover dat een te soepel niveau op een kritische verbinding pas geld kost op het moment dat het misgaat, en dan onevenredig veel. De afweging is dus niet goedkoop tegen duur, maar zichtbare kosten nu tegen risico later.
Vastleggen, anders bestaat het niet
Het niveau hoort op de tekening te staan, in het lassymbool of in een algemene noot, en te worden herhaald in het lasplan. Staat het nergens, dan hanteert de lasser zijn eigen maatstaf en de inspecteur de zijne, en die twee komen bij de keuring niet vanzelf overeen.
Bij EN 1090-2 volgt het niveau uit de uitvoeringsklasse: EXC2 vraagt doorgaans niveau C, EXC3 en EXC4 niveau B, met aanvullende eisen voor bepaalde onvolkomenheden. Buiten EN 1090, bijvoorbeeld in de machinebouw, moet de fabrikant het zelf bepalen en vastleggen.
Veelgestelde vragen
In EN 1090-2 hoort bij EXC2 doorgaans kwaliteitsniveau C, met voor sommige onvolkomenheden een aanscherping naar D of juist B. De norm geeft daarvoor een tabel; neem die letterlijk over in plaats van er C van te maken en klaar.
Ja, en dat is vaak de verstandigste aanpak. Kritische, wisselend belaste verbindingen op B, dragende maar statisch belaste op C, en niet-dragende aanhechtingen op D. Leg per verbinding vast wat geldt, anders ontstaat er verwarring op de werkvloer.
Nee. Het kwaliteitsniveau zegt wat is toegestaan, de onderzoeksomvang zegt hoeveel er wordt gekeken. Die twee worden afzonderlijk vastgelegd. Een niveau B-las met 10 procent onderzoek is denkbaar, al is die combinatie in kritisch werk zelden verstandig.
Dan moet u het vaststellen voordat er wordt gelast, samen met de opdrachtgever of de constructeur. Achteraf een niveau kiezen betekent dat u de meetlat legt naast werk dat al af is, en dat leidt vrijwel altijd tot discussie.
Meer uit de kennisbank
Heeft u een lastechnische vraag?
Stel uw eerste vraag aan de DEHAAS Welding & Quality Assistant, laat uw situatie beoordelen door een specialist, of bel direct.

