Constructie & ontwerp·21 januari 2026·3 min lezen

De a-hoogte van een hoeklas berekenen

De a-hoogte van een hoeklas berekenen

De a-hoogte is de rekenmaat waarmee de sterkte van een hoeklas wordt bepaald. Toch wordt op de werkvloer en zelfs op tekeningen regelmatig de zijdelengte z bedoeld terwijl er a staat, of omgekeerd. Het verschil is een factor 1,41, en dat is genoeg om een verbinding fors over- of onderbemeten te maken.

Dit artikel legt uit wat de a-hoogte precies is, hoe u hem berekent, hoe hij zich verhoudt tot de zijdelengte, en waarom een grotere las niet altijd een betere las is.

Wat de a-hoogte is

De a-hoogte is de hoogte van de grootste gelijkbenige driehoek die binnen de doorsnede van de hoeklas past, gemeten vanaf het theoretische worteldieptepunt naar het oppervlak van de las. De zijdelengte z is de lengte van de rechthoekszijde van diezelfde driehoek langs het basismateriaal.

Bij een gelijkbenige hoeklas geldt a = z maal 0,7 (nauwkeuriger 1 gedeeld door wortel 2). Een hoeklas met z = 10 mm heeft dus een a-hoogte van 7 mm. Andersom: eist de berekening a = 5 mm, dan moet de lasser een zijde van ongeveer 7 mm neerleggen.

De berekening volgens EN 1993-1-8

Eurocode 3 deel 1-8 rekent met de richtingsafhankelijke of de vereenvoudigde methode. De vereenvoudigde methode toetst de resulterende kracht per lengte-eenheid las tegen de rekenwaarde van de lasweerstand, die volgt uit de treksterkte van het basismateriaal, een correlatiefactor beta-w en de partiële factor.

Voor S235 is beta-w gelijk aan 0,8, voor S355 is dat 0,9 en voor S460 is het 1,0. Dat betekent dat sterker staal niet evenredig een kleinere las oplevert: de correlatiefactor werkt die winst deels tegen. In de praktijk wordt de benodigde a-hoogte daarom altijd berekend, niet geschat.

Minimum- en maximumwaarden

Er geldt een praktisch minimum: een te kleine las koelt zo snel af dat hardheid en scheurrisico toenemen, zeker op dik materiaal. Veel specificaties hanteren een minimale a-hoogte van 3 mm, en op zware secties meer, afgeleid uit de dikte van het dunste deel.

Aan de bovenkant geldt dat een hoeklas op dun materiaal niet groter hoeft te zijn dan de dikte rechtvaardigt. Een a-hoogte boven ongeveer 0,7 maal de dunste plaatdikte voegt weinig sterkte toe maar kost onevenredig veel lasmetaal, lastijd en krimp.

Waarom groter niet beter is

Lasmetaalvolume neemt kwadratisch toe met de a-hoogte. Van a = 4 naar a = 6 mm betekent ruim twee keer zoveel lasmetaal, dus ruim twee keer zoveel lastijd, draad en warmte. Die warmte vertaalt zich direct in meer krimp en meer vervorming.

Een hoeklas die standaard een paar millimeter te groot wordt gelegd is daarmee een van de duurste gewoontes in een werkplaats. Meten met een lasmal en de opgegeven maat aanhouden scheelt materiaal en richtwerk. Zie lasvervorming beperken.

Veelgestelde vragen

Volgens ISO 2553 wordt de maat voorafgegaan door een a voor de a-hoogte of een z voor de zijdelengte. Staat er alleen een getal zonder letter, vraag het dan na bij de constructeur; aannemen dat het a is kan de verbinding met factor 1,41 onderbemeten maken.

Constructief is dat vrijwel altijd sterker, maar het kost meer lasmetaal, meer voorbereiding en meer krimp, en het verandert de eisen aan onderzoek. Doe het alleen in overleg met de constructeur, want in de berekening kan een doorlassing andere gevolgen hebben dan verwacht.

Met een lasmal die de convexe of concave vorm volgt. Let op: bij een holle hoeklas is de werkelijke a-hoogte kleiner dan bij een vlakke met dezelfde zijdelengte, en bij een bolle las telt het extra materiaal boven de theoretische driehoek niet mee.

Alleen als de diepe inbranding met een lasmethodekwalificatie is aangetoond en de norm het toestaat. EN 1090-2 en EN 1993-1-8 kennen die mogelijkheid, maar dan moet de inbranding aantoonbaar en herhaalbaar zijn, wat bewijs per procedure vraagt.

Heeft u een lastechnische vraag?

Stel uw eerste vraag aan de DEHAAS Welding & Quality Assistant, laat uw situatie beoordelen door een specialist, of bel direct.

WhatsApp