
Wie last aan spoorvoertuigen of onderdelen daarvan, komt terecht in een eigen normenkader. EN 15085 is strenger dan EN 1090 op het punt van personeel, ontwerpbeoordeling en documentatie, en vraagt certificering door een erkende instelling.
Voor toeleveranciers die een onderdeel voor een spoorbedrijf gaan maken is dat vaak een onaangename verrassing. Dit artikel legt uit hoe het stelsel in elkaar zit.
De certificeringsniveaus
EN 15085-2 kent vier certificeringsniveaus, CL1 tot CL4. CL1 is het hoogste en geldt voor bedrijven die lassen in alle lasprestatieklassen, inclusief de veiligheidsrelevante. CL4 is voor bedrijven die alleen niet-dragend werk verrichten.
Het niveau bepaalt welke kwalificaties het personeel moet hebben, welke lascoordinatoren vereist zijn en hoe zwaar het kwaliteitssysteem is. Een bedrijf dat één onderdeel voor de spoorsector maakt kan vaak met een lager niveau toe, maar dat moet vooraf met de opdrachtgever worden afgestemd.
Lasprestatieklassen en lasklassen
Elke verbinding krijgt een lasprestatieklasse, van CP A tot CP D, afgeleid uit de belasting en de veiligheidsrelevantie van het onderdeel. Die klasse bepaalt vervolgens de lasklasse volgens ISO 5817 en de omvang van het onderzoek.
De constructeur wijst die klassen toe en legt ze vast in de tekening. Ontbreekt de klasse, dan kan de fabrikant het onderzoek niet plannen en de inspecteur niet beoordelen. Dat is in de praktijk het eerste waar een auditor naar kijkt.
Personeel en ontwerpbeoordeling
EN 15085-2 eist een gekwalificeerde lascoordinator met een kennisniveau dat past bij het certificeringsniveau, doorgaans IWE of IWT. Daarnaast moet er een plaatsvervanger zijn aangewezen, iets wat bij EN 1090 niet expliciet wordt geeist.
Ook moet de fabrikant het ontwerp beoordelen op lastechnische uitvoerbaarheid en de lasdetails accorderen. Dat is een actieve verantwoordelijkheid: een tekening klakkeloos overnemen voldoet niet aan de norm.
Wat het voor toeleveranciers betekent
Levert u een onderdeel aan een spoorbedrijf, dan zal de opdrachtgever certificering volgens EN 15085 eisen, of eisen dat u onder zijn certificaat werkt met vastgelegde afspraken. Het certificeringstraject vraagt doorgaans enkele maanden.
DEHAAS begeleidt dat traject: bepalen welk certificeringsniveau nodig is, het kwaliteitssysteem inrichten, de kwalificaties op orde brengen en de rol van lascoordinator vervullen tot u die zelf kunt invullen. Zie lascoordinator inhuren.
Veelgestelde vragen
Nee. EN 15085 stelt aanvullende eisen aan personeel, ontwerpbeoordeling en documentatie die EN 1090 niet kent. Een EN 1090-certificaat is wel een goede basis, omdat veel elementen van het kwaliteitssysteem overlappen.
Dat volgt uit de lasprestatieklassen van de onderdelen die u maakt. Maakt u alleen niet-dragende onderdelen, dan volstaat vaak CL3 of CL4. Zodra er veiligheidsrelevante verbindingen bij zitten is CL1 of CL2 nodig.
Reken op drie tot zes maanden, afhankelijk van hoe ver het kwaliteitssysteem en de kwalificaties al zijn. Het langste onderdeel is meestal het verkrijgen van de juiste kwalificaties voor personeel en lasmethoden.
Niet noodzakelijk. Bestaande kwalificaties volgens ISO 9606-1 blijven geldig mits zij het benodigde bereik dekken en de geldigheid is bijgehouden. Wel moet worden aangetoond dat de lassers met de betreffende materialen en posities kunnen werken.
Heeft u een lastechnische vraag?
Stel uw eerste vraag aan de DEHAAS Welding & Quality Assistant, laat uw situatie beoordelen door een specialist, of bel direct.

