Voorwarmen is een van de meest onderschatte parameters in de lastechniek. Het bepaalt hoe snel de las en de warmte beinvloede zone afkoelen, en daarmee welke microstructuur er ontstaat. Te snelle afkoeling geeft harde, brosse structuren zoals martensiet, en die zijn gevoelig voor koudscheuren. Voorwarmen vertraagt de afkoeling, geeft waterstof de kans om uit de las te ontsnappen en verlaagt de krimpspanningen. De vraag is dus niet of voorwarmen nuttig is, maar wanneer het noodzakelijk is en hoe u het beheerst uitvoert.
In dit artikel leest u op basis van welke factoren u de voorwarmtemperatuur bepaalt, hoe het koolstofequivalent en de materiaaldikte meewegen, wat waterstofbeheersing ermee te maken heeft en hoe u de uitvoering praktisch regelt en aantoonbaar controleert. De aanpak sluit aan op EN 1011-2 en de meetmethode van ISO 13916.

Bij het lassen van staal koelt de las lokaal zeer snel af doordat het omliggende koude materiaal de warmte wegzuigt. Bij on- en laaggelegeerd staal met voldoende koolstof en legeringselementen ontstaat dan martensiet in de warmte beinvloede zone. Die harde structuur is in combinatie met waterstof en spanning de klassieke voedingsbodem voor koudscheuren, die vaak pas uren na het lassen ontstaan.
Voorwarmen verkleint het temperatuurverschil tussen las en omgeving. De afkoeltijd tussen 800 en 500 graden Celsius, de t8/5, wordt langer, de hardheid in de warmte beinvloede zone blijft lager en waterstof krijgt meer tijd om te diffunderen. Daarnaast vermindert voorwarmen condensvocht op het werkstuk en verbetert het de inbranding bij dikke doorsneden.
Hoe gevoelig een staalsoort is voor harding, leest u af aan het koolstofequivalent. De meest gebruikte formule is de CEV volgens IIW: CEV = C + Mn/6 + (Cr + Mo + V)/5 + (Ni + Cu)/15. U berekent deze uit de smeltanalyse op het materiaalcertificaat, niet uit de normwaarden, want de werkelijke samenstelling kan flink afwijken.
Als vuistregel geldt:
EN 1011-2 biedt rekenmethoden waarmee u uit koolstofequivalent, gecombineerde dikte, warmte-inbreng en waterstofklasse een minimale voorwarmtemperatuur afleidt. Voor moderne fijnkorrelstalen gebruikt u vaak de CET-methode uit dezelfde norm.
De dikte bepaalt hoeveel richtingen de warmte op kan. Bij een stompe las in dunne plaat stroomt de warmte twee kanten op, bij een hoeklas op dik materiaal drie. Daarom rekent EN 1011-2 met de gecombineerde dikte: de som van de gemiddelde diktes van alle aansluitende delen rond de las. Hoe groter die som, hoe sneller de afkoeling en hoe eerder voorwarmen nodig is.
Een veelgemaakte fout is dat alleen naar de plaatdikte van een van de delen wordt gekeken. Juist bij hoeklassen op zware profielen of bij aanlassen van dunne schotten op dik materiaal wordt het risico dan onderschat. Neem de gecombineerde dikte daarom altijd expliciet mee in de lasmethodebeschrijving.
Voorwarmen en waterstofbeheersing zijn twee kanten van dezelfde medaille. Waterstof komt in de las via vocht in elektrodebekleding, poeder, vet, roest of condens. Hoe meer diffundeerbare waterstof, hoe hoger de benodigde voorwarmtemperatuur. Andersom kunt u met waterstofarme toevoegmaterialen de voorwarmtemperatuur vaak aanzienlijk verlagen.
Praktische maatregelen:
Hoe het scheurmechanisme precies werkt en welke maatregelen daar verder bij horen, leest u in het artikel over het voorkomen van waterstofscheuren.
Voorwarmen kan met gasbranders, elektrische weerstandsmatten of inductie. Branders zijn flexibel maar geven een ongelijkmatig temperatuurveld en vragen discipline van de uitvoerder. Weerstandsmatten en inductie geven een stabiele, regelbare temperatuur en zijn bij PWHT-achtige toepassingen en dikwandig werk de betere keuze.
Belangrijke uitvoeringsregels:
ISO 13916 beschrijft hoe u voorwarm-, interpass- en doorwarmtemperaturen meet: met temperatuurkrijtjes, contactthermometers of thermokoppels, op vastgelegde meetpunten en meetmomenten. Bij het meten na verwarmen met de brander geldt een wachttijd, zodat de temperatuur door de dikte kan egaliseren, als vuistregel 2 minuten per 25 millimeter dikte.
Voor een aantoonbare kwaliteit legt u vast: de vereiste temperatuur uit de WPS, het meetmiddel, de meetlocatie en de gemeten waarden. Bij werk onder EN 1090-2 of PED-toezicht vraagt de keurende instantie hier gericht naar. Kalibreer contactthermometers en thermokoppels aantoonbaar.
De voorwarm- en interpasstemperatuur zijn essentiele variabelen in de lasmethodekwalificatie volgens EN ISO 15614-1. Een lagere voorwarmtemperatuur dan gekwalificeerd is niet toegestaan, en de maximale interpasstemperatuur uit de kwalificatie mag in productie niet worden overschreden. De WPS moet daarom realistische, werkbare waarden bevatten die op de werkvloer ook echt haalbaar zijn.
Twijfelt u of voorwarmen in een specifiek geval nodig is, of wilt u bestaande voorschriften laten toetsen, dan kan onafhankelijk lastechnisch advies u helpen om de juiste balans te vinden tussen zekerheid en productiekosten. Ook de samenhang met de warmte-inbreng hoort in die afweging thuis.
In een paar klikken een vrijblijvende offerte op maat. U krijgt antwoord van een lascoördinator.
Onafhankelijk beoordeeld, aantoonbaar vastgelegd
De vragen die het vaakst gesteld worden.
Dunne, ongelegeerde constructiestalen zoals S235 en S275 met een laag koolstofequivalent kunnen bij normale omgevingstemperatuur meestal zonder voorwarmen worden gelast. Bij grote gecombineerde diktes, temperaturen onder circa 5 graden Celsius of vochtige omstandigheden is licht voorwarmen tot 50 a 100 graden Celsius alsnog verstandig.
Bij austenitisch roestvast staal wordt niet voorgewarmd, dat verhoogt alleen het risico op verkleuring, vervorming en sensitisering. Bij martensitisch roestvast staal is voorwarmen juist wel gebruikelijk. Duplex last u zonder voorwarmen, maar met een strak beheerste warmte-inbreng en interpasstemperatuur.
De voorwarmtemperatuur is de minimale temperatuur van het werkstuk direct voor het lassen van de eerste rups. De interpasstemperatuur is de temperatuur van het werkstuk direct voor elke volgende rups. In de praktijk geldt de minimale voorwarmtemperatuur ook als ondergrens tussen de lagen, en stelt de WPS daarnaast een maximum aan de interpasstemperatuur.
Deels. Met waterstofarme toevoegmaterialen en een goede naadvoorbereiding kan de benodigde voorwarmtemperatuur volgens EN 1011-2 aanzienlijk dalen. Bij hoge koolstofequivalenten, grote diktes en zware inklemming blijft voorwarmen echter noodzakelijk. De combinatie van beide maatregelen geeft de grootste zekerheid.
Stel hem gewoon. U krijgt persoonlijk antwoord van een lascoördinator die het werk zelf heeft gedaan, niet van een verkoper.
Stuur uw aanvraag Bellen 06 29 72 37 91